Weetjes voor iedere automobilist !
Koelvloeistof
V-snaar
Transmissieolie (alleen bij automaat)
Motorolie
Luchtfilter
Remvloeistof
Ruitensproeiervloeistof
Accu
Stuurbekrachtigingolie
Ruitenwissers
Banden
Schokbrekers
Uitlaat
Koelvloeistof
naar boven
Het doorzichtige koelvloeistofreservoir is voor controle voorzien van een minimum en maximum aanduiding. Het koelvloeistofpeil kan alleen bij stilstaande motor juist worden gecontroleerd. Als het koelvloeistofpeil tot bij de minimum markering is gedaald moet er koelvloeistof worden bijgevuld. Eerst de motor laten afkoelen. Dan de vuldop van het reservoir met een doek afdekken en de dop zover losdraaien dat de aanwezige druk kan ontsnappen. Als de druk geheel weg is, dan pas de dop eraf draaien. De voorgeschreven koelvloeistof nooit hoger dan de maximum markering bijvullen. Daarna de vuldop weer stevig vastdraaien.
V-snaar
naar boven
Controleer of de V-snaar niet te slap hangt. Als de V-snaar te slap hangt, wordt de accu niet goed opgeladen. Op het dashboard kan dan een controlelampje gaan branden.
Transmissieolie (alleen bij automaat)
naar boven
De controle van het oliepeil moet geschieden bij draaiende motor en de versnellingsbak moet daarbij in de "P" stand staan. De peilstok heeft een minimum en maximum aanduiding. Is het oliepeil tot onder de minimumaanduiding gezakt, dan moet er bijgevuld worden.
Motorolie
naar boven
Het is normaal dat de motor wat olie verbruikt, daarom moet het oliepeil op gezette tijden worden gecontroleerd. Bij het controleren moet de auto op een horizontaal vlak staan. Na het afzetten van de motor een paar minuten wachten, zodat de motorolie in het carter kan terugvloeien. Dan de oliepeilstok eruit trekken, met een schone doek afvegen en de peilstok weer tot aan de aanslag erin duwen. De peilstok vervolgens weer eruit trekken en het oliepeil aflezen. Zit er te weinig olie in, dan de voorgeschreven motorolie in hoeveelheden van telkens maximaal 0,5 liter bijvullen. Vervolgens het oliepeil met de peilstok opnieuw controleren.
Luchtfilter
naar boven
Het luchtfilter zorgt er voor dat er geen stof en andere rommel in de motor terecht komt. Het luchtfilter kun je controleren door de kap van het luchtfilterhuis af te halen en te bekijken hoe vuil het luchtfilter is.
Remvloeistof
naar boven
Om goed te kunnen remmen is onder andere voldoende remvloeistof nodig. Het vloeistofpeil moet altijd tussen de minimum en maximum markering liggen. Een geringe daling van het peil ontstaat door slijtage en automatische bijstelling van de remblokjes en de remvoering. Dit is normaal, maar als het peil binnen korte tijd duidelijk zakt, of de minimum markering komt kan het remsysteem lek zijn. Dit wordt door het branden van het remcontrolelampje op het instrumentenpaneel aangegeven. U moet dit onmiddellijk controleren/laten controleren.
Ruitensproeiervloeistof
naar boven
Een ruitensproeier is vooral tijdens het rijden onmisbaar voor het schoonhouden van de voor- en achterruit. De meeste vloeistofreservoirs zijn doorzichtig zodat u gemakkelijk kunt zien of er voldoende vloeistof aanwezig is. Het is verstandig om het water te mengen met een ruitenschoonmaakmiddel en 's winters moet u voldoende antivries of spiritus toevoegen.
Accu
naar boven
De accu is een grote oplaadbare batterij die je nodig hebt voor het starten van de motor. Tijdens het rijden wordt de accu door een ronddraaiende dynamo steeds bijgeladen. Controleer of de accu goed vast zit, de ontluchtingsgaatjes in de vuldopjes open zijn, de accupolen schoon zijn en of het vloeistofpeil tussen de minimum en maximum markering staat. Als de accuvloeistof onder de minimum markering is gedaald moeten de accucellen met gedistilleerd water tot de maximum markering worden bijgevuld. Vuur, vonken, onbeschermende verlichting en roken in de nabijheid van een accu is zeer gevaarlijk in verband met het licht ontvlambare waterstofgas. Accu's altijd buiten het bereik van kinderen houden.
Stuurbekrachtigingolie
naar boven
Auto's met stuurbekrachtiging zijn voorzien van een reservoir met hydraulische olie. Voor een goede werking van de bekrachtiging is voldoende van die olie nodig. De controle mag alleen bij draaiende en bedrijfswarme motor gebeuren. Aan de binnenzijde van de vuldop zit een peilstok. Het oliepeil moet altijd tussen de minimum en maximum markering liggen. Als het oliepeil tot bij de minimum markering is gedaald, moet de stuurbekrachtiging door worden gecontroleerd.
Ruitenwissers
naar boven
Een helder zicht is onontbeerlijk om veilig te kunnen rijden. Controleer daarom de ruitenwissers op hun reinigende werking. Controleer of de ruitenwisserbladen niet verhard of gescheurd zijn.
Banden
naar boven
Banden, ook de reserveband, mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen uitstulpingen vertonen. De diepte van de hoofdgroeven moet minimaal 1.6 mm bedragen. Binnengedrongen steentjes, glas en dergelijk uit het profiel verwijderen en de banden niet in aanraking laten komen met olie, vet en brandstof. Controleer regelmatig de bandenspanning, ook van de reserveband. De bandenspanning kun je controleren bij een benzinestation. Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, geeft extra slijtage aan de banden en beïnvloed de wegligging ongunstig.
In het instructieboekje van de auto staat de juiste bandenspanning.of vraag deze bij ons op Alle ventielen moeten zijn voorzien van ventieldopjes om te voorkomen dat zand en dergelijke in het ventiel komt. Let ook op beschadigingen en scheuren in de velgen.
Schokbrekers
naar boven
De schokbrekers kun je controleren door de de auto aan de betreffende zijde in te duwen. Als de schokbrekers goed zijn komt de auto gelijk weer terug, zonder na te deinen. Is de schokbreker met olie gevuld, controleer dan de schokbreker op olie lekkage.
Uitlaat
naar boven
Het uitlaatsysteem moet over de gehele lengte gasdicht zijn. Er zijn wettelijke voorschriften omtrent de geluidsproductie en de luchtverontreiniging.